Openingstoespraak 'Half suiker, half zand' door Jaus Müller
Gilbert van DrunenDames en heren,
Over geschiedenis gesproken: Het is toch wel opvallend dat de provincie met de jongste geschiedenis een tentoonstelling aan Nederlandse geschiedenis wijdt. Op de grond waar wij hier op staan, zwommen 53 jaar geleden nog visjes. Het vereist enige moed om een tentoonstelling over geschiedenis en cultuurgeschiedenis te presenteren in een stad waar mensen niet automatisch een link leggen met de rijke geschiedenis. Denk geschiedenis, en zeg Leiden, Amsterdam, Den Haag of Utrecht. Maar toch niet heel snel aan Almere.
Maar aan de andere kant heeft de curator van de tentoonstelling: De Nederlandse identiteit? Half suiker, half zand er bewust voor gekozen om vooral de naoorlogse geschiedenis van Nederland te belichten. Een geschiedenis die ongeveer begon toen Almere vaste grond onder de voeten kreeg. Ook het kiezen van de canon van de Nederlandse geschiedenis als uitgangspunt voor deze tentoonstelling, vereist moed. De laatste keer dat dit was geprobeerd, leidde het tot een fiasco van miljoenenomvang. Ik doel hierbij op het Nationaal Historisch Museum. Geïnspireerd op de canon wilde de Tweede Kamer in 2006 een speciaal museum hebben waarin de vijftig vensters zouden worden uitgebeeld. Het oorspronkelijke plan was een zelfstandig rijksmuseum in te richten waar een overzicht van de Nederlandse geschiedenis in samenhang zou worden getoond. Hoe je zoiets vluchtigs en veranderlijks als DE geschiedenis in één museum zou kunnen proppen, was vanaf het begin af aan een los eindje in het plan. Dat zou wel goed komen, dacht men.
In 2007 werden drie plekken aangewezen waar het museum zou kunnen komen. Amsterdam, Arnhem of Den Haag. Minister Plasterk bedacht dat er een nieuw gebouw in Arnhem moest worden neergezet voor het museum. Kosten: 50 miljoen euro. De jaarlijkse exploitatiekosten werden begroot op 12 miljoen per jaar. Er werd daarna nog gesteggeld over parkeergarages en bruggen, tot in 2009 eindelijk een plek werd gevonden voor het museum. Twee directeuren werden aangetrokken om de binnenkant van het museum vorm te geven.
Vanaf dat moment ging het pas echt mis. Los van de vijftig vensters, bedachten de directeuren ook nog eens vijf ‘werelden’. ‘Rijk en arm’, ‘oorlog en vrede’, ‘land en water’ ‘lichaam en geest’, ‘mens en macht’. Ze lieten bovendien de chronologie los. Zo had het wel heel weinig met geschiedenis te maken. Dat vond ook een van de initiatiefnemers van het museum, SP-Kamerlid Jan Marijnissen. Het plan van de twee directeuren noemde hij in 2009 ‘postmoderne hutspot’, ‘hipdoenerij van museumbobo’s’. Achteraf bleken deze uitspraken het begin van het einde van het Nationaal Historisch Museum. Wat nu nog rest van het Nationaal Historisch Museum is een website die sinds 1 januari 2012 niet meer ververst is. De Nederlandse geschiedenis werd een digitaal kerkhof waar de tijd intussen al zes maanden stil staat.
Terugkijkend op deze geschiedenis kunnen we in elk geval vaststellen dat Mister Motley en Museum De Paviljoens met deze tentoonstelling al oneindig meer hebben bereikt dan wat het Nationaal Historisch Museum voor ogen stond. Ik zei het al eerder: het verdient lef om met NHM-debacle in het achterhoofd de canon als leidraad te nemen voor een tentoonstelling. Te meer deze canon niet buiten de kritiek is gebleven.
Voordat ik iets meer zeg over de canon, is het goed de vraag te stellen waarom we eigenlijk een canon hebben? Dat zit zo: In 2005 werd vastgesteld wat velen al vermoeden. Het was beroerd gesteld met de kennis van de Nederlandse geschiedenis. Inderdaad. Misschien kent u het filmpje van GeenStijl waarop wordt gevraagd wie ons bezette tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarop iemand in Amsterdam-Noord bloedserieus antwoordt: de Canadezen. Zo waren er meer aanwijzingen dat kennis van geschiedenis vanaf de jaren negentig stappen terug had gezet. Dat ook deels ook te maken met een nieuw type onderwijs in Nederland: de Tweede Fase. Ik kan er uit eigen ervaring over meepraten. Het systeem verschoof de nadruk op parate kennis naar de vaardigheid om kennis op te zoeken. Zo zag ik de geboorte van de Control-C Control-V-geschiedenis. Knippen en plakken. Maar er blijft weinig hangen. Zo trof ik klasgenoten aan die voor een of ander werkstukje op de Engelstalige site van Wikipedia van alles wist te vinden over William of Orange. Om dit vervolgens weer te vertalen naar het Nederlands in: Willem de Sinaasappel.
De canon moest dat gat in de kennis van het verleden van ons land gaan repareren. Er kwam een commissie van wijze historici die tussen 2005 en 2006 de opdracht kregen van het Ministerie van Onderwijs om meer samenhang in het geschiedenisonderwijs aan te brengen. In 2006 was de Canon klaar. Het bestaat uit 50 vensters die ons iets moet zeggen over de Nederlandse geschiedenis. Dit alles gevisualiseerd aan de hand van een soort lintworm tegen een Delftsblauwe achtergrond, met in die worm plaatjes die beginnen bij de Hunnebedden ongeveer 3.000 voor Christus, en eindigend bij een plaatje van een Euro muntstuk.
Alleen al dat euro-muntstuk geeft al aan hoe bewerkelijk geschiedenis is. Stond in 2006 de Euro nog boven alle twijfel verheven, tegenwoordig staat het in toenemende mate symbool voor de erosie van een Europees ideaal. Hiermee is ook meteen een van de vele kritiekpunten op de Canon benoemd: Het verleden staat niet vast. “Geschiedenis is een discussie zonder einde”, zei de historicus Pieter Geyl. Iets wat los vliegt, kun je niet zomaar tegen de muur spijkeren en denken dat het vast zit.
Nu kom ik op een meer fundamenteel punt van kritiek op de canon. Namelijk de strikte scheiding tussen het begrip nationale identiteit en ‘geschiedenis’. Nationale identiteit werd door de historici van de canon vooral gezien als iets engs, iets waar de historicus zich verre van zouden moeten blijven. Identiteit wekte associaties met groepsdenken, nationalisme, blind geloof in de eigen geschiedenis, de eigen cultuur. Dan kwam je al heel snel in de vaarwateren van Geert Wilders.
Nee, de canon, vond de commissie, moest het collectief geheugen van Nederland weerspiegelen. Niet de identiteit. Ik citeer uit het rapport van de commissie: “Er lijkt trouwens alle aanleiding om het hele concept ‘nationale identiteit’ op de helling te zetten. Zo het al ooit valide is geweest, dan nu minder dan ooit: in de internationale, multiculturele wereld van vandaag is het een bedrieglijk, ja gevaarlijk begrip.”
Daar valt wel iets voor te zeggen: Inderdaad brachten het vasthouden aan één - al dan niet zelf verzonnen - nationale identiteit volkeren in het verleden op gezette tijden tot slepende ruzies. Gewapende conflicten. Complete wereldoorlogen zijn uitgevochten omdat mensen vastklampten aan één nationale identiteit - en daarmee andere opvattingen te vernietigen. In 2006 kon je er nog mee wegkomen om de nationale identiteit buiten beschouwing te laten, zoals de Canon-commissie deed. Destijds bezette de PVV nog maar 9 stoeltjes in de Tweede Kamer. De partij van Geert Wilders kon toen nog gezien worden als iets van voorbijgaande aard. Een LPF 2.0. Dat zou wel weer overwaaien. De wens was vader van de gedachte.
Een jaar later, in 2007, werd steeds duidelijk dat de discussie over nationale identiteit een sluimerende veenbrand was. De fik had de Canon-commissie even over het hoofd gezien. Dat ondervond ook Maxima in 2007, toen ze zei dat “De Nederlandse identiteit niet bestaat”. Ze kreeg een storm van kritiek over zich heen. De Nationale identiteit bestaat wel, zeiden de mensen in het land. Wie is die Maxima om dat van ons af te nemen?
Op zich had Maxima gelijk. De culturele geschiedenis van Nederland is zo vermengd met andere stromingen, dat je daar onmogelijk één dominante richting aan kunt geven. Maar dat is dus het rare: rationeel gezien bestaat nationale identiteit niet, maar wanneer je het bestaan ervan gaat ontkennen, valt half Nederland over je heen. Als het ontkennen ervan zoveel mensen boos maakt, zou je haast denken dat het wel moet bestaan. In elk geval leidt het ontkennen van een gevoel van nationale identiteit tot niets. Als je geschiedenis probeert te schrijven zonder nationale identiteit erbij te betrekken, zoals de Canon-commissie voor ogen stond - sluit je een grote groep Nederlanders buiten. Een groep die wel het gevoel heeft dat er zoiets is als een gedeelde nationaliteit. Of ze gelijk hebben, weet ik niet, maar ze zomaar overslaan werkt evenmin. Bovendien kan het uitsluiten van Nederlanders niet de bedoeling zijn van de canon. “Een canon die voor iedereen bedoeld is, moet ook van iedereen kunnen zijn”, schreef de Canon-commissie. Net als kunst moet geschiedenis zich niet terugtrekken in een elitair reservaat. Dit streven slaagt in mijn ogen alleen wanneer historici en kunstenaars zich bewust zijn dat er zoiets speelt als nationale identiteit. Dat betekent dus niet niet dat het “op de helling moet zetten”. Begin er eens mee om het serieus te nemen.
Let wel: ik pleit niet voor een nationalistische geschiedenis. Alsjeblieft geen parade van Hollandse heldendaden. Maar stel op z’n minst de vraag wat dat precies is: nationale identiteit, en hoe we er mee om kunnen gaan. Schuif dat begrip niet makkelijk opzij. Nationale identiteit valt niet geheel los te koppelen van geschiedenis - hoe graag idealistische politici en historici die twee begrippen ook gescheiden zouden willen houden. Hierin is de canon gefaald.
Wat dat betreft vind ik de titel van deze tentoonstelling verhelderend. De Nederlandse identiteit? Half suiker, half zand. Door een vraagteken te plaatsen achter ‘identiteit’ wordt het begrip in elk geval geproblematiseerd. Het zet vraagtekens bij een eventuele verhouding tussen geschiedenis en identiteit - zonder geschiedenis nou meteen met nationalisme te versmelten. Hierin zijn we een stap verder gekomen dan de Canon-commissie van wijze historici, die identiteit dogmatisch uit de weg probeerden te gaan. Alsof ze de hete aardappel maar zo snel mogelijk wilde doorschuiven. Alsof historici zich niet met nationale identiteit, en het onderzoek ernaar, wilde bemoeien.
Misschien moeten we de hoop daarom vestigen op geesten die vrijer omgaan met het beladen begrip ‘nationale identiteit’. Misschien zijn die vrijere geesten eerder te vinden onder kunstenaars dan onder sommige dogmatische historici. Misschien vinden we die kunstenaars hier vandaag wel in Almere.








