De dood

Militairen doden en worden gedood. En toch bestaat er een taboe binnen de krijgsmacht op de dood. Toen ik op een familiedag van mariniers in opleiding in een volle zaal met ouders aan de sergeant vroeg of de jongens geestelijk worden voorbereid op hun mogelijke sneuvelen, of dat van hun collega’s, reageerde hij afwijzend en wilde hij er niet op ingaan. Uit de zaal kwam zelfs een verontwaardigd: 'Dat hoort bij het beroep; daar kiezen ze zelf voor.' Dat antwoord wierp bij mij de vragen op: hoef je er dan niet meer over te praten? Kan het dan geen probleem meer zijn om er mee te moeten dealen, zowel voor het thuisfront als voor de militair zelf? Ik begreep dat het onderwerp zo gevoelig ligt, dat mensen er bang voor zijn het aan te snijden. Het raakt hen te diep. En men wil de uitgezonden militair niet ongerust maken door over diens mogelijke dood te beginnen.
Heel begrijpelijk, maar het niet aansnijden van dit thema, slaat als een boemerang terug op de militair die met de dood wordt geconfronteerd in het oorlogsgebied. Hij is dan onvoorbereid en soms diep verontwaardigd: hij zou er immers niet mee te maken krijgen, want: 'Wij zorgen dat wij iedereen weer heelhuids mee terugnemen' zoals veel commandanten zeiden in Uruzgan.
Onlangs stond in de Volkskrant een interessant stuk over een nieuw te vormen ‘credo van de krijger’ door de Vereniging van Infanterie Officieren (VIO). ‘Moed, trouw en zelfopoffering zijn mijn belangrijkste waarden’, staat erin, en: ‘Ik treed de vijand onverschrokken tegemoet, gereed om hem te verslaan, zelfs ten koste van mijzelf.’
Een cultuuromslag, in gang gebracht door de ervaringen in Uruzgan. Het lijkt mij zeer belangrijk om uit te zenden militairen in het reine te laten komen met hun eigen mogelijke dood. Indrukwekkend is de soldaat, die in de 10-delige serie Band of Brothers over de geallieerde opmars door Europa in 1944/45, zegt: ‘Ik beschouwde mezelf al als dood. Dus daar hoefde ik niet meer bang voor te zijn.'












