Inside Magazines. Independent Pop Culture Magazines

Tijdschriften zijn niet, zoals in het verleden meerdere malen voorspeld is, uitgestorven en vervangen door nieuwe ‘brave new world’ media. Ze zijn gelukkig ook niet alleen nog maar in musea te vinden en in gespecialiseerde collecties van historici, verzamelaars en excentriekelingen. Nee, het tijdschrift leeft! Ondanks de vele voordelen die het internet brengt voor de verspreiding van tekst en beeld blijven tijdschriften gemaakt worden en komen er steeds weer nieuwe bij. Want, zo stelt Joseph Monteyne in het voorwoord van het boek Inside Magazines. Independent Pop Culture Magazines, het is juist de computer die het makkelijker heeft gemaakt tijdschriften te maken, personaliseren, distribueren en publiek te vinden voor je unieke, klein opgezette, gespecialiseerde tijdschriftje. Volgens de makers van het boek kan en zal het tijdschrift nooit vervangen worden door digitale media. Een papieren blad met zijn unieke gevoel van het papier, de geur van de inkt, het hele ontwerp dat alle zintuigen en het intellect op scherp zet, heeft simpelweg geen beter alternatief.
Het boek geeft een overzicht van tijdschriften die de niche tussen underground ‘zines’ en commerciële bladen inneemt, klein opgezet zijn en net even anders zijn dan gebruikelijk. Deze tijdschriften worden veelal zonder winstoogmerk en met heel veel liefde gemaakt. En ze vinden nog meer niches… de leukste, vreemdste onderwerpen om een tijdschrift over te maken. Zo is er Ghost Stories en Animal Stories Magazine (van dezelfde maker), een tijdschrift dat geheel uit lijstjes bestaat en heel toepasselijk List heet, of het New Yorkse blad McSweeney dat uit gemiddeld 280 pagina’s bestaat en volgens de redacteuren over ‘everything and nothing’ gaat.

Bij sommige bladen gaat het meer om de inhoud: zij zijn bescheiden vormgegeven en op goedkoop papier van standaard formaat gedrukt. Andere zijn luxe collector’s items. De meeste luxe is misschien wel Visionaire. Een blad uit New York over mode en kunst dat in kleine gelimiteerde oplages wordt gemaakt en met de hand genummerd wordt. Ieder nummer heeft een thema en kunstenaars, modeontwerpers en art directors wordt gevraagd een bijdrage te leveren die hun eigen interpretatie op het thema is. Ze krijgen alle vrijheid over de inhoud en vorm van hun idee, waardoor iedere Visionaire werkelijk uniek en een kunstwerk voor de koffietafel is.
De tweede helft van het boek bestaat uit tekst- en beeldbijdragen van de makers van de verschillende tijdschriften, speciaal gemaakt voor het boek. Het is een beetje een vreemde mix. Een lange tekst over anorexia en tijdschriften, een collage van beelden uit het Vancouver Soundscape Project van Robin Mitchell, stills van een film van Tina Axelson. Net als alle bladen in het boek, heeft het boek zelf ook wel iets rebels. Zo’n houding van: ‘dit vinden we leuk, dus we laten het zien’, zonder er verder heel erg over het waarom na te denken. Het gaat de makers om het delen van een passie, het bieden van een alternatief van ‘gewone’ bladen waardoor meisjes gaan geloven dat ze heel erg dun moeten zijn en designerkleding moeten dragen om er bij te horen.
Het boek geeft het gevoel dat alles mogelijk is. Je bent slechts gelimiteerd door je eigen fantasie. Toch geeft het boek ook een enigszins treurig beeld: ik zoek uit nieuwsgierigheid enkele websites op die bij de tijdschriften vermeld staan, en geen van die ik op zoek bestaat nog. Leeft het tijdschrift dan toch minder dan ik dacht? Of is het juist de charme van de kleinschaligheid, de mogelijkheid dat het mislukt? De vrijheid die je hebt door zelfstandig en niet commercieel te zijn, maakt het ook moeilijk een blad langere tijd overeind te houden. Maar als het ene blad ophoudt te bestaan, dan begin je toch gewoon een nieuwe?













