Een papieren podium: Artists’ Magazines
Aspen, no. 3 (december 1966). Ontworpen door Andy Warhol en David DaltonAls kunstenaar kun je exposeren in een galerie of in een museum, als je mazzel hebt. Veel kunstenaars organiseren hun eigen tentoonstelling, in oude pakhuizen of fabrieken of laten hun werk zien in guerrilla-acties op straat. Sinds de opkomst van het internet hebben veel kunstenaars ook een website of delen hun werk op speciaal opgerichte forums. Toch is er naast dit alles nog een manier om je werk te tonen, een die anders is dan alle andere. Dit is het papieren podium van het tijdschrift. Vooral in de jaren zestig en zeventig was het kunstenaarstijdschrift door de ontwikkeling van de conceptuele kunst erg populair. Naast dat het als platform werd gebruikt, werd het ook al snel gezien als medium. Ideaal voor kunstenaars die het concept voorop stellen en de marktwaarde van hun kunst minder belangrijk vinden. Maar, zoals deze blog zal laten zien, is het kunstenaarstijdschrift nog springlevend in de hedendaagse kunstwereld. Het is een zeer geschikte manier om je werk te verspreiden en biedt wellicht ook een tegenwicht op de vele digitale platforms die er zijn.

Onlangs is een prachtig boek (368 pagina’s!) verschenen over het fenomeen van het kunstenaarstijdschrift waarin deze wordt benaderd als alternatieve ruimte om kunst te presenteren. De auteur, Gwen Allen, begint het boek met een korte geschiedenis van het tijdschrift en stelt eigenlijk meteen dat het vooral de kortstondigheid is dat het magazine kenmerkt. Hierdoor is een tijdschrift altijd een uiting van het moment. Iedere uitgave wordt in wezen teniet gedaan door de volgende. Door de impermanentie onderscheid het zich van het boek, welke een langer leven toebedeeld is. Naast dat het tijdschrift een perfect medium bleek voor conceptuele kunst, ontdekten kunstenaars ook haar sociale en politieke voordelen. Door grote oplagen en relatief goedkope materialen is een tijdschrift makkelijk te verspreiden over een zeer groot publiek, dat het tijdschrift zelf kan kopen en dus niet langs galeries of critici hoeft te gaan. In feite was het publiek maken van kunst op dergelijke grote schaal een politieke daad op zichzelf.
Daarnaast onderscheid het tijdschrift zich nog van andere media en expositieplatforms door haar serialiteit, reproduceerbaarheid, verzamelbaarheid en de directe verbinding met de kunstkritiek. En een tijdschrift geeft niet alleen kunst weer maar gaat altijd vergezeld met design en tekst.

Door de dematerialisatie van het kunstobject in de jaren zestig werd de documentatie van kunst steeds belangrijker. De invloedrijke kunsthandelaar Seth Siegelaub was een van de eerste mensen die dit belang erkende en ging zelfs zo ver door te stellen dat gedrukte media de primaire informatiebron van een tentoonstelling is, en in sommige gevallen zelfs de tentoonstelling zelf kan zijn (een idee dat hij ook zelf tot uitvoering heeft gebracht).

Na de historische en theoretische contextualisering beschrijft de auteur uitgebreid zeven tijdschriften die volgens hem typerend zijn voor de manier waarop kunstenaars in de jaren zestig, zeventig en tachtig zochten naar alternatieve tentoonstellingsruimte en hun kritiek wilde uiten op bladen als Artforum die volgens velen te veel macht hadden gekregen in de kunstwereld.

Een van de tijdschriften die Allen uitgebreid behandelt is Avalanche. Dit tijdschrift, dat tussen 1970 en 1967 slechts dertien edities uitbracht, fungeerde als 'galerie zonder muren', aldus Allen. Deze muren waren ontbraken niet alleen letterlijk, ook figuurlijk waren ze niet aanwezig: in plaats van kritieken en recensies, bestonden de teksten uit interviews en documentatie van het maakproces waardoor er een directere link naar de kunstenaar gelegd werd. Maar het tijdschrift was ook een manier om kunst dat ver buiten de stad gemaakt werd en vaak ook tijdelijk was, zoals de land art werken van Robert Smithson, een podium te bieden.
Van links naar rechts: Nul=0, Brumes Blondes en Art & Project BulletinIn het appendix wordt een overzicht gegeven van kunstenaarstijdschriften tussen 1945 en 1989 uit de hele wereld, ieder met een korte beschrijving. Waaronder de Nederlandse tijdschriften De Appel, van de gelijknamige galerie die nog steeds in Amsterdam gevestigd is, Art & Project Bulletin, Brumes Blondes, dat slechts vier edities heeft uitgebracht en waarvan de redactie gevoerd werd door herman de vries en Laurens Vancrevel, Ephemera, Fandangos, Intergration (wederom van herman de vries), MW, De Nieuwe Stijl van onder andere Armando kende maar twee uitgaven, Nul=0 ditmaal van herman de vries en Armando samen, en het tijdschrift voor onder meer concrete poëzie Subvers.
Met deze blog wil mister Motley het hedendaagse (kunstenaars)tijdschrift in binnen- en buitenland onderzoeken. Hoe gaan kunstenaars tegenwoordig om met dit platform/medium? Bieden nieuwe technologieën nieuwe mogelijkheden, of is het tijdschrift nog steeds vooral een podium voor conceptuele kunst? Ken je een tijdschrift dat een nieuw/interessant licht werpt op dit onderwerp, mail je suggestie dan naar web@mistermotley.nl .
Het boek Artists' Magazines. An Alternative Space for Art is geschreven door Gwen Allen en gepubliceerd door The MIT Press. ISBN: 978-0-262-01519-6












