ARCHIEF
Een dode plant water geven
Tekst: Klaske Oenema
Het huis dat achterblijft als iemand doodgaat is een heilige plek. Alles is zoals de overledene het achtergelaten heeft. Een ontbijtbordje op het aanrecht, de was buiten aan de lijn. Het opengeslagen bed. Als nabestaande ervaar je deze plek bijna als gewijd, je wil de ruimte het liefst onveranderd laten. Het is moeilijk het gebruikte koffiefilter weg te gooien, de asbak te legen. Je zoekt naar aanwijzingen. Tot welke pagina in het boek dat op het nachtkastje ligt, was de persoon gekomen? Waar was hij het laatst mee bezig? Hoe voelde zij zich? Door dingen aan te raken en te veranderen in het huis, gaat informatie over de wereld van de overledene verloren. Door de bloemen weg te gooien en de vaas om te spoelen, geef je toe dat de tijd verder gaat. Met het uiteindelijke opruimen en leegmaken van het huis, verwijs je die wereld definitief naar het verleden.
Virginie Rebetez fotografeert woningen van mensen die eenzaam gestorven zijn, zonder nabestaanden achter te laten. Bij deze mensen komen dus geen familie of vrienden naar het huis om afscheid te nemen, om de spullen te verdelen. De gemeente verzorgt de uitvaart, evenals de uitruiming van de woning. Rebetez kreeg het voor elkaar dat ze een aantal keren mee mocht naar zo’n huis. Ze maakte foto’s van de kamers en ook van zichzelf in die ruimtes.
Dit project leidde tot het fotoboekje Pentagonstraat 29, dat onderdeel was van haar eindexamen dit jaar aan de Rietveld Academie, en waarover ik met haar in gesprek ben. Als ik door het boekje blader, zie ik foto’s van een overvolle woonkamer. Een eikenhouten wandmeubel, een tafel bezaaid met papieren en breiwerkjes, een naaimachine, kranten op de grond, plastic tassen en knuffeldieren. De foto’s zijn steeds vanuit een ander perspectief genomen. Soms wordt er een detail in beeld gebracht. Op sommige foto’s zie je Virginie zelf, zittend op een stoel met een breiwerkje in haar handen, of met een gieter boven een dode plant. Bij al deze foto’s kijkt ze in de camera en gebeurt er iets vreemds. Want enerzijds vervult ze nu de rol van de overledene, ze wordt als het ware de persoon in diens omgeving, anderzijds daagt ze de kijker ook uit: hoe ver vind je dat ik kan gaan? Vind je het erg dat ik de leesbril opzet van iemand die er niet meer is? Vind je het respectloos? Tegelijkertijd zijn de foto’s troostend. De anonieme persoon, bij wie niemand op de begrafenis komt, alles wat zij nagelaten heeft wordt nu uitvoerig bekeken, wordt gezien.
Ik vraag Virginie Rebetez of de dood altijd een thema van haar was. ‘Nee,’ zegt ze, ‘een thema dat me eigenlijk veel meer interesseert is macht. Fotografie is voor velen een wapen, een manier je iets toe te eigenen. Dat klopt denk ik ook. Maar ik onderzoek het toe-eigenen vooral door de dingen die ik doe in zo’n huis.’
Ik ben benieuwd naar wat ze allemaal gedaan heeft, of er voor haar ook een grens was. ‘In iemand anders bed gaan liggen, dat vind ik het verst gaan,’ zegt ze, ‘het bed is het meest intieme, het is bijna heilig.’ Ik vraag: ‘Heb je dat ook echt gedaan?’ ‘Ja,’ antwoordt ze, ‘maar ik twijfelde daar wel over. Ik heb voor het boek die foto’s ook niet gebruikt.’
Rebetez heeft een tweede fotoboekje gemaakt, met de titel Infangstrasse 12. Ik blader erdoorheen op zoek naar Virginie, maar hier is ze niet. Ik zie foto’s van een lichte, schone kamer. Er staat een houten bed in, een witte fauteuil en een paar stoelen. Het bed is hoog en doet me denken aan een ziekenhuisbed, met zo’n handgreep in de lucht waaraan je je omhoog kan trekken. Alles in de kamer ziet er goedkoop en nieuw uit.
Op elke foto staan de meubels in een andere opstelling. Het perspectief wisselt ook per foto, maar centrum van aandacht blijft het bed en de stoelen. Hierdoor krijg je weinig idee van hoe de ruimte er precies uitziet, hoe groot deze is. Het geheel doet me denken aan een decor voor een toneelstuk, of een showroom voor nietszeggende meubels.
Rebetez vertelt dat ze de foto’s gemaakt heeft bij een organisatie in Zwitserland die hulp biedt bij zelfdoding. Zwitserland behoort net als Nederland tot de weinige landen ter wereld die hulp bij zelfdoding toestaan als dat zonder eigen belang gebeurt. Maar Zwitserland is het enige land ter wereld dat deze actieve euthanasie ook toestaat voor niet-inwoners. Buitenlanders kunnen er dus naartoe gaan om hun leven te laten beëindigen. Dignitas – zo heet de organisatie – maakt gebruik van deze wet. De patiënt betaalt een bepaald bedrag, reist naar Zwitserland, krijgt een gifdrankje en valt in slaap zonder weer wakker te worden. Het fotoboekje van Virginie Rebetez heeft 147 pagina’s, want 147 mensen waren met de hulp van Dignitas gestorven toen ze het boekje maakte.
Ik krijg de indruk dat er meerdere ‘behandelkamers’ zijn doordat de meubels steeds anders staan, maar het is er maar één. Rebetez heeft zelf de meubels verplaats, vertelt ze, in een poging de ruimte gezelliger en minder anoniem te maken. Ze wilde er als het ware een verhaal aan toevoegen: eerst ging er iemand in het bed liggen, toen kwam er familie, ze schuiven hun stoel dichter bij, er worden bloemen in de vaas gezet. Toch helpt het niet echt. De ruimte blijft koud, afstandelijk. Zelfs de dingen die er als gezellig ornament aan toegevoegd zijn – een kussentje, een kleedje – missen ieder verband met hun omgeving of met een persoon, en zijn daardoor lomp, alleen. Vreemd zoals dat voelt, en bijzonder hoe de foto’s dit laten zien. Deze ruimte, ontworpen om in te sterven, voor mensen die zelf kiezen voor hun dood, deze ruimte is zelf dood.
Ik vraag Haar waarom ze juist deze instelling koos voor haar project. Ik mis wat er in het andere boekje wel was, namelijk warmte, betrokkenheid. Dingen die me belangrijk lijken voor een organisatie die hulp biedt bij zelfdoding. ‘Ook hier interesseerde me het machtsaspect’, zegt ze. ‘De organisatie, opgericht door een advocaat, mag zich volgens de wet alleen richten op mensen met een lichamelijke ziekte of gebrek zonder uitzicht op beterschap. Depressieve mensen die dood willen kunnen er officieel nog niet terecht. Voor buitenlanders wordt er schriftelijk en telefonisch bepaalt of de patiënt aan de voorwaarden voldoet. Je kunt je voorstellen dat dit niet zo betrouwbaar is. Ook is het moeilijk voor Dignitas om werkruimte te vinden. Omwonenden protesteren met succes tegen de organisatie in hun buurt, ze hebben geen zin om steeds die doodskisten voorbij te zien komen. Het ontbreken van een vaste werkruimte heeft de organisatie niet stil gelegd: er zijn geruchten dat cliënten het giftige drankje gedronken hebben in een auto. Door dit soort berichten is Dignitas omstreden. De wet laat ruimte voor hulp bij zelfdoding maar de feitelijke uitvoering schuurt langs de rand van de wet.’
De zakelijkheid die ik proef in het verhaal van Rebetez, past bij de kamer die ik op de foto’s zie. Het verklaart voor een deel misschien de koude sfeer. Ik ga ervan uit dat de advocaat handelt uit een overtuiging. Ik stel me voor dat hij iemand kende wiens lijden hem zo geraakt heeft dat hij zijn levenswerk ervan gemaakt heeft om mensen met een doodswens te helpen. Maar ik zie daar niets van terug op de foto’s, en wat ik nu weet over de organisatie helpt me daar ook niet bij. Dignitas, letterlijk ‘waardigheid’, lijkt een organisatie die worstelt met haar eigen waardigheid.
Terwijl ik eigenlijk niet negatief sta tegenover hulp bij zelfdoding, merk ik dat ik geneigd ben de organisatie te veroordelen. Maar ik vraag me af op basis waarvan ik dat doe. Dignitas gaat misschien ver, maar ze voorzien in een behoefte die er duidelijk is. Vind ik het zo moeilijk omdat er niets smaakvols aan de muur hangt, er geen bedlampje staat? Omdat het er niet gezellig is? Ik begin me af te vragen of ik niet veel te romantisch denk over sterven, of ik het beangstigende en definitieve van de dood niet probeer te verzachten.
Ik weet dat mensen die echt dood willen, ook echt dood willen. Op het moment dat ze van een gebouw springen of naar zo’n instelling in Zwitserland afreizen, hebben ze meestal al afscheid genomen. Soms zijn ze daar al jaren mee bezig. Een gedeelte van hen is al afgestorven van het leven, vaak zie je dat ook gewoon. Misschien is het dan niet meer zo belangrijk hoe de kamer waarin je dood gaat eruit ziet, waarom de man die je het gifdrankje geeft dat eigenlijk doet.
Misschien dat deze zakelijk ingerichte kamer de meest passende en eerlijke omgeving is voor iemand met een doodswens. Deze ruimte houdt de schijn niet op. Het enige dat de schijn ophoudt, is de handgreep boven het bed. Uiteindelijk hijst niemand zich meer omhoog.
Virginie Rebetez’ schuiven met de meubels, haar onderzoek in foto’s, is een vorm van verzet, een poging betekenis terug te geven. Het is een daad uit het leven, klein en subtiel. Ook hierin gaat het over macht en onmacht, en juist dat je deze strijd kan zien in het boek, vind ik erg mooi.
Zie voor het werk van Virginie Rebetez: www.virginierebetez.com
Het huis dat achterblijft als iemand doodgaat is een heilige plek. Alles is zoals de overledene het achtergelaten heeft. Een ontbijtbordje op het aanrecht, de was buiten aan de lijn. Het opengeslagen bed. Als nabestaande ervaar je deze plek bijna als gewijd, je wil de ruimte het liefst onveranderd laten. Het is moeilijk het gebruikte koffiefilter weg te gooien, de asbak te legen. Je zoekt naar aanwijzingen. Tot welke pagina in het boek dat op het nachtkastje ligt, was de persoon gekomen? Waar was hij het laatst mee bezig? Hoe voelde zij zich? Door dingen aan te raken en te veranderen in het huis, gaat informatie over de wereld van de overledene verloren. Door de bloemen weg te gooien en de vaas om te spoelen, geef je toe dat de tijd verder gaat. Met het uiteindelijke opruimen en leegmaken van het huis, verwijs je die wereld definitief naar het verleden.
Virginie Rebetez fotografeert woningen van mensen die eenzaam gestorven zijn, zonder nabestaanden achter te laten. Bij deze mensen komen dus geen familie of vrienden naar het huis om afscheid te nemen, om de spullen te verdelen. De gemeente verzorgt de uitvaart, evenals de uitruiming van de woning. Rebetez kreeg het voor elkaar dat ze een aantal keren mee mocht naar zo’n huis. Ze maakte foto’s van de kamers en ook van zichzelf in die ruimtes.
Dit project leidde tot het fotoboekje Pentagonstraat 29, dat onderdeel was van haar eindexamen dit jaar aan de Rietveld Academie, en waarover ik met haar in gesprek ben. Als ik door het boekje blader, zie ik foto’s van een overvolle woonkamer. Een eikenhouten wandmeubel, een tafel bezaaid met papieren en breiwerkjes, een naaimachine, kranten op de grond, plastic tassen en knuffeldieren. De foto’s zijn steeds vanuit een ander perspectief genomen. Soms wordt er een detail in beeld gebracht. Op sommige foto’s zie je Virginie zelf, zittend op een stoel met een breiwerkje in haar handen, of met een gieter boven een dode plant. Bij al deze foto’s kijkt ze in de camera en gebeurt er iets vreemds. Want enerzijds vervult ze nu de rol van de overledene, ze wordt als het ware de persoon in diens omgeving, anderzijds daagt ze de kijker ook uit: hoe ver vind je dat ik kan gaan? Vind je het erg dat ik de leesbril opzet van iemand die er niet meer is? Vind je het respectloos? Tegelijkertijd zijn de foto’s troostend. De anonieme persoon, bij wie niemand op de begrafenis komt, alles wat zij nagelaten heeft wordt nu uitvoerig bekeken, wordt gezien.
Ik vraag Virginie Rebetez of de dood altijd een thema van haar was. ‘Nee,’ zegt ze, ‘een thema dat me eigenlijk veel meer interesseert is macht. Fotografie is voor velen een wapen, een manier je iets toe te eigenen. Dat klopt denk ik ook. Maar ik onderzoek het toe-eigenen vooral door de dingen die ik doe in zo’n huis.’
Ik ben benieuwd naar wat ze allemaal gedaan heeft, of er voor haar ook een grens was. ‘In iemand anders bed gaan liggen, dat vind ik het verst gaan,’ zegt ze, ‘het bed is het meest intieme, het is bijna heilig.’ Ik vraag: ‘Heb je dat ook echt gedaan?’ ‘Ja,’ antwoordt ze, ‘maar ik twijfelde daar wel over. Ik heb voor het boek die foto’s ook niet gebruikt.’
Rebetez heeft een tweede fotoboekje gemaakt, met de titel Infangstrasse 12. Ik blader erdoorheen op zoek naar Virginie, maar hier is ze niet. Ik zie foto’s van een lichte, schone kamer. Er staat een houten bed in, een witte fauteuil en een paar stoelen. Het bed is hoog en doet me denken aan een ziekenhuisbed, met zo’n handgreep in de lucht waaraan je je omhoog kan trekken. Alles in de kamer ziet er goedkoop en nieuw uit.
Op elke foto staan de meubels in een andere opstelling. Het perspectief wisselt ook per foto, maar centrum van aandacht blijft het bed en de stoelen. Hierdoor krijg je weinig idee van hoe de ruimte er precies uitziet, hoe groot deze is. Het geheel doet me denken aan een decor voor een toneelstuk, of een showroom voor nietszeggende meubels.
Rebetez vertelt dat ze de foto’s gemaakt heeft bij een organisatie in Zwitserland die hulp biedt bij zelfdoding. Zwitserland behoort net als Nederland tot de weinige landen ter wereld die hulp bij zelfdoding toestaan als dat zonder eigen belang gebeurt. Maar Zwitserland is het enige land ter wereld dat deze actieve euthanasie ook toestaat voor niet-inwoners. Buitenlanders kunnen er dus naartoe gaan om hun leven te laten beëindigen. Dignitas – zo heet de organisatie – maakt gebruik van deze wet. De patiënt betaalt een bepaald bedrag, reist naar Zwitserland, krijgt een gifdrankje en valt in slaap zonder weer wakker te worden. Het fotoboekje van Virginie Rebetez heeft 147 pagina’s, want 147 mensen waren met de hulp van Dignitas gestorven toen ze het boekje maakte.
Ik krijg de indruk dat er meerdere ‘behandelkamers’ zijn doordat de meubels steeds anders staan, maar het is er maar één. Rebetez heeft zelf de meubels verplaats, vertelt ze, in een poging de ruimte gezelliger en minder anoniem te maken. Ze wilde er als het ware een verhaal aan toevoegen: eerst ging er iemand in het bed liggen, toen kwam er familie, ze schuiven hun stoel dichter bij, er worden bloemen in de vaas gezet. Toch helpt het niet echt. De ruimte blijft koud, afstandelijk. Zelfs de dingen die er als gezellig ornament aan toegevoegd zijn – een kussentje, een kleedje – missen ieder verband met hun omgeving of met een persoon, en zijn daardoor lomp, alleen. Vreemd zoals dat voelt, en bijzonder hoe de foto’s dit laten zien. Deze ruimte, ontworpen om in te sterven, voor mensen die zelf kiezen voor hun dood, deze ruimte is zelf dood.
Ik vraag Haar waarom ze juist deze instelling koos voor haar project. Ik mis wat er in het andere boekje wel was, namelijk warmte, betrokkenheid. Dingen die me belangrijk lijken voor een organisatie die hulp biedt bij zelfdoding. ‘Ook hier interesseerde me het machtsaspect’, zegt ze. ‘De organisatie, opgericht door een advocaat, mag zich volgens de wet alleen richten op mensen met een lichamelijke ziekte of gebrek zonder uitzicht op beterschap. Depressieve mensen die dood willen kunnen er officieel nog niet terecht. Voor buitenlanders wordt er schriftelijk en telefonisch bepaalt of de patiënt aan de voorwaarden voldoet. Je kunt je voorstellen dat dit niet zo betrouwbaar is. Ook is het moeilijk voor Dignitas om werkruimte te vinden. Omwonenden protesteren met succes tegen de organisatie in hun buurt, ze hebben geen zin om steeds die doodskisten voorbij te zien komen. Het ontbreken van een vaste werkruimte heeft de organisatie niet stil gelegd: er zijn geruchten dat cliënten het giftige drankje gedronken hebben in een auto. Door dit soort berichten is Dignitas omstreden. De wet laat ruimte voor hulp bij zelfdoding maar de feitelijke uitvoering schuurt langs de rand van de wet.’
De zakelijkheid die ik proef in het verhaal van Rebetez, past bij de kamer die ik op de foto’s zie. Het verklaart voor een deel misschien de koude sfeer. Ik ga ervan uit dat de advocaat handelt uit een overtuiging. Ik stel me voor dat hij iemand kende wiens lijden hem zo geraakt heeft dat hij zijn levenswerk ervan gemaakt heeft om mensen met een doodswens te helpen. Maar ik zie daar niets van terug op de foto’s, en wat ik nu weet over de organisatie helpt me daar ook niet bij. Dignitas, letterlijk ‘waardigheid’, lijkt een organisatie die worstelt met haar eigen waardigheid.
Terwijl ik eigenlijk niet negatief sta tegenover hulp bij zelfdoding, merk ik dat ik geneigd ben de organisatie te veroordelen. Maar ik vraag me af op basis waarvan ik dat doe. Dignitas gaat misschien ver, maar ze voorzien in een behoefte die er duidelijk is. Vind ik het zo moeilijk omdat er niets smaakvols aan de muur hangt, er geen bedlampje staat? Omdat het er niet gezellig is? Ik begin me af te vragen of ik niet veel te romantisch denk over sterven, of ik het beangstigende en definitieve van de dood niet probeer te verzachten.
Ik weet dat mensen die echt dood willen, ook echt dood willen. Op het moment dat ze van een gebouw springen of naar zo’n instelling in Zwitserland afreizen, hebben ze meestal al afscheid genomen. Soms zijn ze daar al jaren mee bezig. Een gedeelte van hen is al afgestorven van het leven, vaak zie je dat ook gewoon. Misschien is het dan niet meer zo belangrijk hoe de kamer waarin je dood gaat eruit ziet, waarom de man die je het gifdrankje geeft dat eigenlijk doet.
Misschien dat deze zakelijk ingerichte kamer de meest passende en eerlijke omgeving is voor iemand met een doodswens. Deze ruimte houdt de schijn niet op. Het enige dat de schijn ophoudt, is de handgreep boven het bed. Uiteindelijk hijst niemand zich meer omhoog.
Virginie Rebetez’ schuiven met de meubels, haar onderzoek in foto’s, is een vorm van verzet, een poging betekenis terug te geven. Het is een daad uit het leven, klein en subtiel. Ook hierin gaat het over macht en onmacht, en juist dat je deze strijd kan zien in het boek, vind ik erg mooi.
Zie voor het werk van Virginie Rebetez: www.virginierebetez.com








