Merid Tafasse

Op televisie zag ik de druk bezochte opening van de expositie van Merid Tafasse die een dag eerder had plaatsgevonden. Iedereen was er terwijl ik onwetend aan een pappadam knabbelde in een Indiaas restaurant. De volgende dag bezoeken we de galerie, naast het Red Terror Museum. Terwijl het meisje toestemming gaat vragen of ik foto’s mag nemen maak ik er voor de zekerheid alvast een paar. Het mag niet. Het is het beste van wat ik tot nu toe heb gezien, deze vreemde eigenaardige grote stadsportretten in zwart-wit, getekend met houtskool. De onderwerpen zijn modern zoals een soort conferentiezaal van boven afgezien die daardoor grote gelijkenis vertoont met een afvoerputje. Iemand danst op straat, een rasta geleerde met bril, een spacemannetje loopt rond in de stad. Energiek, spookachtig en los van alle hier heersende nette kunstconventies. Geen meisjes met kruiken of landschappen, geen exotisme maar de rauwheid van de straat.
Als hij een paar dagen later tegenover me zit aan het tafeltje in de galerie, samen met zijn manager, vat hij al die ‘traditie’ samen als de invloed van de markt. ‘I avoid it’, zegt hij er krachtig achteraan. ‘Op de academie leren ze je enkel technieken en ik wilde meer, in het tweede jaar begon ik met denken over mijn werk.’ Zijn smalle donkere gezicht straalt ernst en verlegenheid uit, lange dikke dreads hangen tot halverwege zijn rug. Af en toe stuurt de manager het gesprek: misschien is het goed om iets te vertellen over je achtergrond. Merid Tafasse tekende en schilderde al van jongs af aan, daartoe aangemoedigd door zijn ouders. Krijt, potlood en verf, ze zorgden ervoor dat het in huis was zodat hij de materialen kon uitproberen. Zijn vader, een bankier, stimuleerde hem om te lezen en vooral om uit te zoeken waar zijn eigen voorkeuren lagen. Zo kwam hij uit bij auteurs als Oscar Wilde, Marcus Garvey, de geschriften van Haile Selassie, Dee Brown: Bury My Heart at Wounded Knee, 1971, Kahlil Gibran. Terwijl thuis een veilige haven van liefde, experiment en vrijheid was, heerste daarbuiten het schrikbewind van het communisme, dat nu door iedereen de ‘red terror’ wordt genoemd. Een regime dat uit was op totale controle, tot in de hersenpan van de mensen. Tafasse stelde zich vragen: wat is er gaande in mijn land? Hoe is mijn land in deze situatie terecht gekomen? Wie ben ik, wie is mijn familie. Op school en in de samenleving was de mens ondergeschikt aan de grote machine van de ideologie en dat stond in kil contrast met de benadering van zijn ouders die hem zijn eigen unieke kwaliteiten liet ontdekken. Zo rolde de zoektocht als een rode loper voor hem uit om antwoorden te vinden.
In zijn eerste tentoonstelling in Jeruzalem stond het thema kleur centraal, wat is kleur, wat is zwart, wit. Zijn tekeningen ontstonden spontaan, zodra hij een lijn op het papier zette kwamen de beelden als in een roes, in het ritme van zijn denken, zoals hij het formuleerde.

‘De figuren zijn fragmenten van mijn eigen persoonlijkheid. De kleur zwart kent de connotatie van donker en depressief. Ik werk met houtskool, verbrand hout, in zwart. Ik heb een donkere huid maar ben daarom nog niet verbonden met de donkere negatieve connotaties, ik gebruik ironie om hier mee om te gaan. Maar zwarte houtskool is niet massief, ik zie kleur in tonen, ik zie kleur in zwart en wit, in de tussentonen, zoals stilte een klank kan hebben.
Mijn verblijf in Kaapstad en Amerika had grote invloed, te midden van zwarte mensen kreeg ik een ander gevoel, ik kreeg meer besef van de plaats van het individu ten opzichte van geografie, we leven in een globale wereld maar iedere plek bepaalt je leven en toekomst op een andere manier.
In Ethiopië kleeft de armoede voor de rest van je leven aan je, door een gebrek aan kansen is het bijna onmogelijk om het achter je te laten. Ik ben gaan lesgeven aan straatkinderen, te leren om zichzelf uit te drukken, hun woede, hun onmacht. Niemand merkt deze straatkinderen op, men loopt langs hen heen, ze hebben geen gezicht, in ons atelier kregen ze een identiteit als individu met een eigen expressie. Op een gegeven moment schilderen ze hun eigen kleding, dat besef van een uniek persoon te zijn werd steeds zichtbaarder. Ze kregen eten van ons maar konden vaak niet stoppen met schilderen of tekenen of dansen. Hun werk werd verkocht op speciale exposities zodat de cirkel van verlammende armoede doorbroken werd.
Vervolgens vergaat het Tafasse een beetje als de straatkinderen aan wie hij lesgeeft, hij zwerft een periode rond en verdwijnt uit het zicht van de kunstwereld. Tot hij in 2009 met een serie prachtige schilderijen terug kwam, in het begeleidende A-4tje staat: 'Then in 2009 he picked his paintbrush and shocked the art scene who feared the reclusive, left-handed, dreadlocked artist who walked the streets of Addis seemingly aimlessly had lost his mind and his touch.' En nu dan deze tekeningen.











