Een winkel vol schatten en rommel
Wat somber wacht Gebrakristos in zijn kleine workshop achter de winkel op klanten. Zijn specialisatie is de eeuwenoude stripachtige manier van werken ofwel wat je de Ethiopische volkskunst zou kunnen noemen. Zijn winkel biedt een mengelmoes van goedkope toeristenspullen, hedendaagse landschappen en portretten en deze volkskunst. Ondanks het vaak gehoorde mantra ‘painting is part of our culture’ komen er vooral toeristen naar zijn shop om goedkoper spul te kopen, Ethiopiërs kopen liever ‘moderne’ kunst in een van de vele galeries. De goedkope souvenirs noemt hij minachtend ‘merkatospullen’, naar de grote slum-achtige markt waar toeristen op zoek zijn naar koopjes.
Gebrakristos werkt in een lange traditie. Zijn grootvader Belachew Yimer (1869-1957) wordt beschouwd als ‘le premier peintre Ethiopien’ en zijn naam en foto staan dan ook op de eerste pagina van een geel verkleurd krantachtig boek Biographie of Ethiopien Artists met daarnaast een korte toelichting: ‘he developed his skills solely by his own efforts on the basis of tradition’, een grootse amateur, een ware schilder in de eigen traditie. Zoon Salomon Belachew volgde hem op en leerde het vak onder de stimulerende leiding van zijn vader. Ook Gebrakristos Solomon leerde het vak van zijn vader maar niet van harte. Gebrakristos wilde liever zanger worden, stiekem had hij zijn toelatingsexamen voor de theaterschool al gedaan, en met een aanstelling als zanger in club Zula kon hij zijn studie bekostigen. Maar in een stad als Addis blijft niets geheim en zijn vader hoorde via via van de plannen van zijn zoon. Zonder mededogen liet hij Gebrakristos door een bevriende politieman geboeid uit de club wegvoeren om een nacht in de cel door te brengen. De droom was definitief over. De traditie en de wens van de vader bleken sterker dan de kracht van het individu. Die tijden zijn voorbij. De zoon van Gebrakristos heeft een diploma businessschool op zak en zit nu in zaken, ook hij leerde het schilderen van zijn vader maar dan wel voor z’n plezier in de avonduren.
Ondanks dat de schilder Gebrakristos ook de opleiding Fine Arts aan de universiteit volgde, prefereert hij de stripachtige voorstellingen met een koeienhuid als basis. Vroeger mengde hij de verf zelf op basis van natuurlijke pigmenten: geroosterd marmer voor wit, rode kruiden die bij de inzjerra komen voor rood, en de plant merkelflower voor geel. Nu gebruikt hij acrylverf. Deze volkskunst verhaalt vaak over de geschiedenis van Ethiopië als een geheel eigen vorm van het genre ‘history painting’, in die reeks is the Queen of Sheba een geliefde voorstelling. Maar ook de meer eigentijdse gebeurtenissen zoals de overwinning van hardloper Abebe Behila op de Olympische spelen in 1960 werd in deze traditie als een strip geschilderd, dat werk bevindt zich nu ergens in Frankrijk. Of de ontmoeting tussen Haile Selassie en Winston Churchil in 1945.

Veel van deze volkskunst is ‘healing art’ en dient als bescherming tegen het kwaad, zo’n geschilderde doek voorkomt dat de bliksem in je huis inslaat of zorgt ervoor dat de boze geesten uit de buurt blijven. De voorstellingen kun je ook in een houten doosje bij je dragen, in je jaszak stoppen of aan een koordje om je nek. Jacques Mercier publiceerde het boek Art That Heals, over de Ethiopische kunst die werkt als een medicijn. Een foto laat zien hoe deze kunst deel is van dagelijkse rituelen: een vrouw zit voor een muur die volhangt met portretten van haar overleden man, tussen de afbeeldingen hangt een lang smalle rol naar beneden waarop gebeden voor zijn zielenheil zijn geschreven en getekend, iedere ochtend bidt ze zittend op de grond de hele rol, en dan kan de dag beginnen.

Origineel en kopie, het is niet altijd duidelijk van elkaar te scheiden. Zo schilderde Gebrakristos een kopie van een eeuwenoude beeltenis van Maria uit de stad Gonder, of hij reproduceert een werk uit het Nationaal Museum. Toch ziet hij deze werken als origineel, hij heeft ze immers zelf gemaakt. Zo’n 4.5 maand is hij bezig geweest met een schildering op geprepareerde koeienhuid van een bijna abstract patroon in vele kleuren en dat het een kopie is naar een plaatje uit een boek is geen bezwaar. Verder heeft hij nog kunst van zijn vader in de verkoop, donker geworden door de natuurlijke pigmenten en vol figuren met vreemd schele ogen. Ook in de volkskunst is er een onderscheid van kwaliteit te bespeuren maar het slecht geschilderde werk lijkt in al z’n simpelheid nog steeds ‘echte’ volkskunst. Gebrakristos wijst me op de verschillen, zijn schilderwerk heeft diepe kleuren, zijn figuren meer rondingen door de schaduwen en ze zijn veel levendiger. In zijn winkel zijn ook hedendaagse schilderijen met traditionele onderwerpen te vinden, ze zijn met veel vakmanschap geschilderd maar daardoor eigenlijk behoorlijk kitsch.
Gebrakristos haalt het ene na het andere tijdschrift te voorschijn waarin hij of zijn vader werden genoemd. Ook het Nederlandse blad SamSam slingert er rond en het blijkt dat Gebrakristos speciaal voor hen een strip heeft getekend. Na al die academiekunst is de traditionele volkskunst een verfrissend bad waar je ogen weer wakker van worden. En als ik later door het Nationaal Museum loop, het voormalige paleis van Haile Selassie, is het een doorlopend feestje, druk bevolkte scènes van ontvangsten en banketten, jachttaferelen waarin een baby-olifantje verbijsterend naar zijn moeder kijkt die aan alle kanten bloed spuit, martelingen, zo helder weergegeven alsof het een stap voor stap handleiding uit een kookboek betreft. Inspirerend.











