Hanne Hagenaars in gesprek met Jan Jaap Knol
Voorronde van de ZomerExpo in Museum Belvédère. De ZomerExpo is mede mogelijk gemaakt door het Fonds voor CultuurparticipatieJan Jaap Knol is directeur van het Fonds voor Cultuurparticipatie, dat als doel heeft om te stimuleren dat zoveel mogelijk mensen actief aan kunst en cultuur doen. Onlangs startte dit fonds het programma Het beste van twee werelden, van waaruit zowel mister Motley als de ZomerExpo 2011 een subsidie ontving. De ZomerExpo opent op 9 juli en is te zien t/m 14 augustus 2011 in het Gemeentemuseum Den Haag met werken van amateurs en professionals. De geëxposeerde werken zijn anoniem gekozen, de jury wist niet wie de maker ervan was.
HH: Om maar eens bij het begin te beginnen: hoe zou jij een professionele kunstenaar definiëren?
JJK: Dat kun je op verschillende manieren definiëren. A: Een professional is iemand die een kunstvakopleiding heeft gevolgd of een equivalent in praktijkervaring. B: Erkend is door de kunstkritiek, de galeriehouders, het museale circuit of een ander circuit zoals ARTAmsterdam of de beurs voor realisme. C: En die er zijn geld mee verdient. Maar de praktijk laat zich niet makkelijk vangen, er zijn geweldige kunstenaars die toch niet kunnen leven van hun vak.
HH: En wie is de amateur?
JJK: Een amateur is zoals het woord al aangeeft een liefhebber zonder de ambitie er geld mee te verdienen of officiële erkenning te krijgen. Maar wat je op dit moment vooral ziet is dat de scheiding tussen die twee niet meer zo zwart-wit is. Amateurs zijn op hoog niveau bezig, met name in de muziek en schrijven staan ze sterk. Muziek speelt zich meer in de populaire cultuur af en daardoor ontstaat de erkenning op een meer informele manier. Het publiek is uit op participatie, en dat gebeurt dan ook volop via de digitale media en op televisie. Het hele speelveld is middels de etiketten amateur en professional eenvoudig in twee vakken te verdelen, een onderscheid dat te snel gemaakt wordt. Maar in de beeldende kunst is de afstand tussen amateur en professional groter dan in andere gebieden. De beeldend kunstenaar opereert van oudsher solitair en de beeldende kunst draagt de reflectie met zich mee over wat kunst is en wat niet. Dan sluit je anderen sneller buiten. Toch zie je ook hier op allerlei terreinen vermenging ontstaan, bijvoorbeeld vanuit mode, design en theater.
HH: Het Fonds voor Cultuurparticipatie heeft het programma Het beste van twee werelden gestart. (De twee werelden staan voor de professionele kunst en de amateurkunst). Wat is je missie hierin ten aanzien van de beeldende kunsten?
JJK: We vertrekken als fonds vanuit de amateur, zij die uit liefhebberij bezig zijn, hen willen we stimuleren door nieuwe podia aan te bieden en faciliteiten te ontwikkelen. Maar de samenwerking met professionals geeft een grote meerwaarde. Professionele instellingen kunnen daar een positieve rol in spelen, net als docenten in een meer vakmatig opzicht. Als een museum zich voor de ZomerExpo openstelt dan komt er een grote groep geïnteresseerden van met name amateurs binnen. Ik zou niet zozeer de verschillen centraal willen stellen maar juist wat er gebeurt als je deze twee werelden door elkaar heen ziet. Ik zou de afstand die amateurs ervaren ten opzichte van de hedendaagse kunst willen verkleinen, dat al te sacrale weg willen nemen.
HH: Je noemt het sacraal. Vind jij de hedendaagse kunst onbegrijpelijk?
JJK: Ik zeg liever afstandelijk. Ook veel liefhebbers moeten echt een drempel over om een galerie binnen te gaan. Met de ZomerExpo hoop ik wel een loopplank te leggen en de verschillende stromen in de kunst dichter bij elkaar te brengen. En het publiek zit te vaak in de passieve of luisterende rol, we willen mensen actief laten deelnemen en zo een verrijking bieden.
HH: Het beste van twee werelden, wat kan de amateur leren van de professional?
JJK: De professionals zijn de mensen die vanuit de reflectie werken. Als professional raak je eraan gewend dat je door andere professionals wordt beoordeeld, dat werkt stimulerend, scherpt aan, maar werkt soms ook vernauwend.
HH: En omgekeerd?
JJK: Het prettige van amateurs is hun open onbevangenheid. Ja, dan denk ik aan community arts, aan hip hop en de straatcultuur. Daar zie je enorme invloeden op de kunst, urban culture is in de in musea terecht gekomen en heeft de meer officiële beeldende kunst beïnvloed. Nieuwe vormen van amateurkunst als Spoken Word, dat zijn jonge energieke circuits, waar muziek en beeldende kunst samenkomen. Jongeren houden zich niet bezig met etiketten. Je kunt de groep amateurs echter niet over één kam scheren, er zijn grote verschillen. Maar soms valt er juist in de traditionele volkskunst meer inspiratie te vinden voor de professionals. De traditie van de volkskunst is zo oud als de kunst zelf.
HH: Wat ik ervan gezien heb zal de ZomerExpo veel traditioneel werk laten zien, veel schilderijen en dat terwijl de hedendaagse kunst juist heel onderzoekend en conceptueel is. Valt het ook onder de missie van het Fonds voor Cultuurparticipatie om de amateur in contact te brengen met dit meer museale hedendaagse circuit van de kunst?
JJK: De ZomerExpo gaat om het zichtbaar maken van al die mensen die aan beeldende kunst doen, je hoopt toch dat er verrassende en spannende dingen gebeuren. Het laat zien hoe populair de beeldende kunst is. We willen de afstand tussen professioneel en amateur kleiner maken. Zoiets moet je opbouwen, dit is één aspect ervan. De ZomerExpo laat veel werk zien dat kritisch is geselecteerd op het meest krachtige beeld. Er zijn miljoenen amateurkunstenaars en het is mogelijk dat de ZomerExpo misschien vooral de individueel schilderende amateurs laat zien. De grap is dat de jury tijdens het selecteren van de werken niet weet of iemand autodidact is, wel of niet erkend is, dat doet er niet toe. Als het werk straks hangt dan gaat die vraag komen.
HH: Kun je een werk in zijn eentje beoordelen?
JJK: Ieder werk dat er hangt was de moeite van het selecteren waard, op de eerste indruk. Het gaat niet om een volledige beoordeling. Je hoeft ook niet met elke tentoonstelling hetzelfde te beogen.
HH: Mister Motley is een introductie op de hedendaagse kunst. We willen mensen inspireren. Mijn missie met mister Motley is om amateurs de mogelijkheid te bieden om hun werk te verdiepen door de manier van denken binnen de professionele kunst toegankelijk te maken.
JJK: Ik ben terughoudend om paternalistisch te praten wat goed voor de mensen zou zijn, maar ik ben niet pessimistisch. De dingen die wij honoreren lopen uiteen en daar is ook ruimte voor verdieping en scholing, zoals mister Motley. We leven in een amusement cultuur waarin televisie vaak plat vermaak biedt en internet veelal vluchtig is. Maar twintig jaar geleden werd er ook al gescholden op het aanbod op de televisie, en nu zeggen we romantisch dat het niet meer die collectieve ervaringen biedt, de ‘Eén van de Acht’ nostalgie is verdwenen. Amusement roept steeds de vrees voor vervlakking op, maar het creëert ook vrijheid voor nieuwe mogelijkheden. Mensen zijn weerbaar genoeg om de grenzen tegen de vervlakking te trekken.











