Geen mooiere horizon dan de plint
Foto uit de AarsmancollectieHans Aarsman is ooit begonnen als fotograaf en bespreekt nu [red: tussen mei 2005 en november 2008] iedere week een foto uit kranten of tijdschriften in zijn rubriek De Aarsmancollectie in de Volkskrant. Het lijkt erop alsof hij de knop van zijn camera heeft vervangen door het kijken naar bestaande foto’s. Als een echte detective onderzoekt hij de beeldcultuur millimeter voor millimeter. Toch maakt hij ook nog foto’s en zeult voortdurend een best grote Sonycamera met zich mee. Gesprekspartner is Paul Kooiker, beeldend kunstenaar en fotograaf. Zijn criteria voor een goede foto is de intensiteit van het werk, het persoonlijke en gedrevene. Kooiker publiceert gewoonlijk eerst zijn werk in een boek en van daaruit ontstaan er exposities. Fotografie is een middel om kunst te maken en hij zal zijn foto's niet gratis weggeven. De foto’s van Hans Aarsman kun je gewoon downloaden op www.nederlandsfotomuseum.nl (wel eerst registeren).
Spread uit het boek Sunday van Paul KooikerHans: Op dit moment maak ik foto's van de spullen die ik weggooi. Dingen waaraan ik gehecht ben. Je zou ze willen houden, maar ze moeten weg, omdat ik anders omkom in de troep. Een foto ervan helpt, dan heb je tenminste dat plaatje nog. Een foto neemt heel wat minder ruimte in. Later dacht ik: zou het ook preventief werken? Dat je iets fotografeert vóór je het koopt? Dan hoef je het misschien niet aan te schaffen. Zou helemaal veel ruimte schelen. Stel je voor, al die overbodige dingen weg. Alleen nog een stapel albums met foto’s van wat je hebt weggegooid en wat je had willen kopen. Dat is de bodem van de fotografie, mooier kan niet. Foto’s die alleen maar laten zien hoe iets eruit ziet.
Paul: En hoe ziet zo’n foto eruit?
Hans: als fotograaf heb je een visuele bagage. Ik componeer niet maar neem wel van te voren al een beslissing. Het zit in je hoofd: je ziet een foto, beslist meteen, klik, heel direct en daardoor krijgt het iets passanterigs. Ik wil geen mooi licht en geen mooie compositie. Dat is te veel schilderkunst. Fotografen kijken daar toch al te veel naar. Ze laten zich inspireren door Rembrandt, door Vermeer. Dat is een manier van kijken van vier eeuwen terug! Steeds zie je hetzelfde gebeuren in de fotografie. Eerst wil men laten zien hoe iets er uit ziet, gewoon informeren. Daaruit spreekt de betrokkenheid, de liefde, de afschuw en de kwetsbaarheid. Dat kan fotografie als de beste. Maar dan steekt de behoefte de kop op om er iets moois van te maken. Dat gaat ten koste van de informatie. De fotograaf wil de kunstenaar uithangen. Dan krijg je nieuwsfoto’s met een kunsthistorisch verantwoorde compositie. En het reproductie-aspect gaat verloren, ze gaan afdrukken in kleine oplages. Om zo dicht mogelijk bij de schilderkunst te komen. Want dat is echte kunst, denken ze.
Paul: Uit de hele berg aan mogelijkheden van de fotografie pak je er een klein stukje uit, namelijk de foto’s die bepaald worden door de normen van de schilderkunst, en daar irriteer je je aan. De beeldende kunst biedt juist alle vrijheid om met het medium te werken. Het lijken in jouw visie twee aparte werelden die elkaar buitensluiten.
Ben je fotograaf of kunstenaar?
Hans: Ik ben iemand van ideeën, het woord ‘kunstenaar’ is een bevlekt woord. Zie ik meteen lelijke kunstwerken voor me op pleintjes, langs de snelwegen. En mensen in het zwart die gewichtig lopen te doen in musea. Farizeeërs! ‘Dit is wel kunst en dat is geen kunst.’ Het mooie van fotografie is dat het vastzit aan de wereld, aan hoe de wereld werkelijk is. Je kan hoogdravend proberen te doen, er komt altijd een moment, dat de fotografie je terugfluit.
Paul: Dat is eerder een nadeel, een beperkte blik. Voor jou moet het de werkelijkheid zijn maar er is de manipulatie van daarvoor en daarna. Er is niets buiten het kader te zien en je ziet niet van wat er achter de foto gebeurt. Wat is die werkelijkheid? Ik vind fotografie meer dan een gedachte. De reproductie is essentieel, de keuze of je een foto groot of klein maakt. Als je je werk serieus neemt dan moet je het beperken. Je bepaalt het formaat, de uitsnede en je geeft een eindigheid aan het werk. Een printje cadeau geven aan een vriend kan natuurlijk altijd. Je neemt jezelf serieus, het is je brood. Ik kan wel zeggen: ik maak er 100, maar dan krijg je een andere prijs. Mensen kopen dat bijna unieke werk, een van een oplage vijf. Dat is mijn inkomen. Dat is het mechanisme van de kunst.
Hans: Ik vind het zo sneu. Je werkt met een medium dat je onbeperkt kan uitdelen, en dan ga je dat inperken.
Paul: De essentie van bijvoorbeeld de foto van de Marlboro-man van Richard Prince is het terugbrengen tot iets unieks. Hij ziet fotografie als een medium en maak daarna in alle vrijheid zijn keuzes.
Hans: Ik wil oprecht zijn tegenover de fotografie. Je hebt een negatief, je kan zoveel afdrukken maken als je wilt. Als iemand dan vraagt: ‘Mag ik een printje?’ moet ik dan zeggen: ‘Nee, ik heb er al drie gemaakt’? Die schilderkunstige benadering is maar een heel klein hoekje in de immense ruimte die je met fotografie kunt betreden. Als je maar ophoudt met voorbedachte rade te fotograferen. Ik wil niet meer van tevoren denken: dat ga ik fotograferen voor dat en dat project. Ik heb een camera bij me en ik maak gewoon af en toe een foto. Ik wil de fotografie zonder toepassing voor ogen hanteren. Omdat je iets wilt vastleggen. Iets wat dierbaar is. Pas later zie je dat bij elkaar het een stapeltje begint geworden. Dan komt een blad vragen of je nog fotografeert. Je wilt al nee zeggen. Maar dan denk je opeens aan dat stapeltje. Ja, ik fotografeer nog, zeg je dan. De dingen die ik weggooi en de dingen die ik niet koop. O, zeiden ze bij FOAM-magazine, mogen we dat zien?
Paul: Toch maak je zelf nog exposities. Ik kreeg een uitnodiging voor een tentoonstelling van foto’s van Hans Aarsman in Groningen. Hang je dan je foto’s toch aan de muur?
Hans: Als ik gevraagd wordt voor een tentoonstelling dan zeg ik ‘prima’ en verwijs ze naar de website: Je kunt de foto’s downloaden van de site. Hoe groot ze worden afgedrukt, de combinaties, de selectie is niet meer mijn zorg, ze mogen ermee doen wat ze willen.
Het werk is openbaar, pak het maar. Eigenlijk is het heel regressief, dit plukken uit de archieven van het Nederlands Fotomuseum. De foto’s zelf zijn uit een andere tijd, maar dat ik het zo aanpak is weer progressief...
Paul: Veel kunstenaars onderzoeken op dit moment het medium fotografie, Thomas Ruff is gestopt met fotograferen, hij haalt de beelden van het internet en laat juist groot opgeblazen pixels zien in hele dure unieke prints. Hij werkt eigenlijk precies andersom, verdient er veel aan. Is dat niet slimmer?
Hans: Slim? Weet je waar het eigenlijk op neerkomt? Ik wil niet dineren met die kunsttypes. Ik wil die lui niet, ik wil bij m’n zus eten. Voor je het weet raak je er in verzeild, je moet jezelf beschermen. Ik wil de dingen simpel houden. Het mag niet gewichtig zijn. 100.000 euro voor een foto, dat is een gewicht.
Paul: Heb je dan toch meer respect voor schilders? Hoe zie je je positie binnen de beeldende kunst? Is er bijvoorbeeld een schilder die je heeft beïnvloed?
Hans: Ja, Yves Klein. Zijn conceptuele houding heeft grote invloed op me. Sommigen vinden hem een charlatan, maar na zijn dood dook in een klooster wel een doosje op met wat pigmenten en wat bladgoud. Dat had hij daar als offer aan Maria achtergelaten. Dat is echt, dat was niet zijn zoveelste project. Zijn ideeën zijn echt. Hij droomde van de wereld waar het materialisme niet meer telde. Hij dacht: als we nou één dimensie inleveren, dan houden we er maar twee over. Dan komen we los van de zwaartekracht, dan kunnen we zweven. Dan hoeven we ook niet meer achter bezit aan te rennen. Het is een fantasie die nooit werkelijkheid zal worden, maar ontroerend is ie wel. Klein was de eerste westerling die in Japan een zwarte band haalde. Zo dacht hij alvast een begin te maken met zweven. Hij heeft een boekje met instructies voor Judo gemaakt. Zo mooi is dat. Ik heb vroeger gebokst. De instructeur vroeg me toen: hé jij bent toch fotograaf, ik wil graag een instructieboekje maken, wil jij de foto’s doen? Toen zat ik in mijn Cartier Bresson-periode en heb het niet gedaan. Wat heb ik daar nu spijt van! Allemaal foto’s van bokshoudingen in een achterafzaaltje. Iedere foto op de achtergrond een plint. Geen mooiere horizon dan de plint. Nu ben ik daar toch op uitgekomen, bij de simpele gebruiksfotografie.
Paul: Je vindt het niet leuk om voyeur te zijn, maar dat is toch de kern van de fotografie?
Hans: Inderdaad, niet leuk, ik zie liever de foto van de amateur, de direct betrokkenen. Je moet fotografie alleen maar voor jezelf doen. En dan na een tijd mogen de anderen meekijken.
Paul: Zie je jezelf nog een stap maken, bijvoorbeeld weer terug naar de fotografie?
Hans: Ja, het zou kunnen, misschien ga ik wel weer echt fotograferen. Ik woon nu in de Laurierstraat en als ik thuiskom staan in de gang drie fietsen zo opgesteld dat die van mij er niet bij kan. Dan zet ik ze stuk voor stuk schuiner tegen de muur, zodat ze wat dichter op elkaar kunnen. Past die van mij er ook bij. Ik doe het iedere dag en nooit is iemand op het idee gekomen om die fietsen meteen al wat schuiner te zetten. Ik fotografeer zoiets zoals ik de situatie aantref, beschrijvend, constaterend. ’s Nachts hoor ik rumoer op de gang, de volgende dag hangt er een hangslot op de deur van de benedenbuurman. Foto! Ik ben de persfotograaf van mijn eigen wereld.
Paul: Zou je ook zo radicaal kunnen worden dat je weer zou gaan manipuleren in plaats van een pure registratie? Dat je er zelf meer gaat toevoegen?
Hans: Registreren is een manier van fotograferen die ik heel erg leuk vind. Verbanden leggen en schrijven voeg ik er aan toe. Maar in de toekomst sluit ik niets uit.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in mister Motley #17, Kopie! Kijk voor meer artikelen uit dit nummer in het archief.











