Ik ben jouw indiaan
Michel Szulc-KrzyzanowskiHaar ogen als de nevel in Lombardije
In het verhaal Bedroefde moeder van Carlos Fuentes schrijft een moeder een brief aan de moordenaar van haar dochter. Ze beschrijft de plaats delict en voor onze ogen doemen de bergen op waar verliefde mensen naar de zonsondergang kijken en de tijd onherroepelijk vergeten. ‘Vertel me eens, waarom was u daar?’ vraagt de moeder. Jose Nicasio, voor wie haar woorden bestemd zijn, reageert gretig: ‘Ik dank u voor uw brief. Ik had helemaal niet verwacht dat u zo’n mooi gebaar zou maken. Zo oprecht edelmoedig, mevrouw.’ En hij vertelt over het indianendorp dat hij verliet om kunstenaar te worden en dat het weggaan definitief bleek te zijn, het dorp kijkt hem meer en meer met scheve ogen aan, en voor zijn nieuwe omgeving blijft hij een lelijke indiaan. De moeder is boos, want zij wil iets over haar dochter horen en geen verzachtende omstandigheden van zijn kant, ‘maar ik besef dat als ik u schrijf om u duidelijk te maken wie mijn dochter was, ik zal moeten verdragen dat u me vertelt wie u zelf bent...’ En zo openen twee levens zich, dat van de indiaan die ontheemd is en waar de vernedering altijd aan kleeft, en dat van de dochter als superieure blanke.
De indiaan: ‘Onderaan, mijn plek is onderaan, altijd onderaan, hoe hoog ik ook klim, ik zal altijd onderaan zijn. En daarom gingen mijn handen omhoog, mijn armen konden zich niet beheersen, mijn nagels voelden aan als messen en terwijl ik haar met geweld smoorde met liefkozingen, kon ik alleen maar tegen uw dochter zeggen: “Ik ben jouw indiaan, ik ben de indiaan die je in jezelf niet wilt zien, ik dood je niet, ik dood mezelf.”’
De moeder begrijpt de grotere waarheid die achter zijn daad schuilt. Ze begrijpt zijn ontheemd zijn vanuit haar eigen geschiedenis, haar ziel raakt even aan die van hem en ze spreekt vervolgens tot haar dochter: ‘En nu, terwijl ik hier gehurkt zit voor de urn met jouw stoffelijke resten, zeg ik je dat jij misschien de angst niet uit je geweten wist te bannen. Dat was de enorme scheur in jouw schitterende intellect.’
Adembenemend laat Fuentes je langzaam maar zeker begrijpen hoe de kloof tussen verschillende groepen mensen wel móet leiden tot onheil. Grote politieke problemen vinden hun weg in het individuele handelen van mensen. En in het spoor van aangedaan onrecht wordt het moeilijk om de ander nog als mens te zien en lijkt de opeenstapeling van haat niet meer te stoppen, als een steeds viezere sneeuwbal die naar beneden rolt en maar groter en groter wordt en al het vuil meesleept.
Ik ken de principes zo’n beetje van huis uit, mijn vader is een moeilijk mens, een ruziezoeker en een driftkop. Een gekneusd gezin. Lang zag ik de wereld verdeeld in het goede (mijn moeder) en het kwade (mijn vader). Het adagium van George Bush ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’ maakte de kans op vrede in huis onmogelijk. Toch was daar mijn verlangen om hem te begrijpen, aanvankelijk in de hoop dat hij tot inzicht zou komen, op een deukje in zijn zelfbedrog. Eén keer in ons leven hebben we gesproken, over zijn klasgenoten die door de Duitsers werden neergeschoten, represailles, over zijn tijd in Indonesië, twintig jaar jong. Verhalen vol surrealistische en wrede ervaringen. ‘Was je niet bang?’ vraag ik als hij vertelt over het wachtlopen in de rijstvelden waarin mijnen verstopt lagen. Dan kijkt hij op en kijkt me aan: ‘Ik begrijp jouw vragen niet, in mijn tijd vroegen ze heel andere dingen.’ In zijn tijd waren helden niet bang. Twee medailles kreeg hij. Eenmaal in ons leven was er contact en hield ik van hem. Dat moment was de zin van ons leven samen.
Geen oorlog, geen ruzie is ooit opgelost door met de vinger naar elkaar te wijzen maar door verzachting in plaats van verharding, vergeven en opnieuw beginnen. Door elkaars ogen te lenen. Door empathie.
Vanaf 16 december 2011 in de winkel: mister Motley #30 over Empathie!












