ARCHIEF
Archief » Blog » Homepage »

Nederlands paviljoen Biënnale van Venetië


De bijdrage van Ernst van der Hoeven (foto: Friso Keuris)

Opera Aperta / Loose Work: pleidooi voor ambiguïteit

Dat de invulling van het Nederlands paviljoen een onderzoek zou worden naar ‘identiteit’ wist curator Guus Beumer vanaf het eerste moment. Zijn aanvankelijke idee om uit te gaan van tulpen werd door de deelnemende kunstenaars weg gefloten. Begin juni opende Opera Aperta / Loose Work. Om de vraag naar de Nederlands identiteit in al z’n complexheid weer te geven is het paviljoen getransformeerd tot een tijdmachine waar het heden wordt opgevuld met referenties uit het verleden, zoals de 19e eeuw en het modernisme uit het begin van de 20e eeuw (het principe van het Rietveldpaviljoen zelf). Als model diende de opera, een concept met zijn oorsprong in Italië (in 1597 schreef Jacopo Peri de eerste opera Dafne) dat verschillende kunsten (als zang, dans, acteren en decor design) combineert tot een totaal. 

Voor het Nederlands paviljoen staat een houten bouwsel van drie lagen dat vol gestapeld is met potten met planten. Deze bonte plantenverzameling verwelkomt de bezoeker en leidt hem naar de ingang zodat je recht op het gebouw aanloopt. De etagère met planten van Ernst van der Hoeven wordt door Beumer vergeleken met een 19e eeuwse folly, een bouwsel zonder functie dat werkt als een ornamenteel element. Follies werden ook vaak ingezet om de kijker op een bepaald denkspoor te zetten of bepaalde gevoelens op te roepen. De planten van Verhoeven pakken de traditie van de 19e eeuwse wereldtentoonstellingen op waar het publiek ook werd verwelkomd met exotische planten. En met deze gedachte over exotisme en ‘het vreemde’ stap je het paviljoen binnen, dat de gedachte van identiteit verder uitspint.

De bijdrage van Ernst van der Hoeven (foto: Friso Keuris)

Het paviljoen is als het ware opgeschoond en zichtbaar gemaakt, we kijken (weer) door de ramen naar buiten en de tweedeling die het paviljoen eigen is, is overal doorgevoerd: leeg en vol, coulissen en foyer, binnen en buiten toen en nu. In de eerste lege ruimte, de foyer, hangen drie koptelefoons. De verhalen van scenariste Sanne van Hasselt over een oude vrouw, een Marokkaanse jongen en een projectontwikkelaar brengen de buitenwereld het paviljoen binnen, als in de opera.

Net over de drempel kijkt de bezoeker recht naar de vlekkerige leegte op de achterwand, hier is de vlek geschilderd die achterbleef op muur toen ons nationale icoon, De Nachtwacht, van zijn vaste plek werd gehaald in het Rijksmuseum (naar een foto van Johannes Schwartz). Op dit moment een treffende verwijzing naar de verwarring in ons land omtrent het ‘eigene’. Zodra je de trap in het paviljoen beklimt en over de brug loopt ben je niet langer passant maar onderdeel. De spiegelvloer, als een souffleur van de realiteit (van Barbara Visser) verwart, mengt en verdubbelt. Een totaalervaring. Onontkoombaar.

High Value

Joke Robaard introduceert textiel als metafoor voor het sociale weefsel, de sociale ruimte, en dat dit begrip is uitgehold wordt subtiel duidelijk door de weefselfouten en rafelranden. Het paviljoen is als een complex weefsel, vol verschillend gekleurde draden, die ieder weer verwijzingen en betekenissen dragen. Het zit zo vol betekenissen dat je als gewone bezoeker van alles zult missen. Het zijn ook onmiskenbaar Nederlandse verwijzingen. Een foto van de schildering van Rudi van de Wint uit de Tweede Kamer is zo groot opgeblazen dat het onherkenbaar is, als een coulisse aanwezig. En wie buiten Nederland is op de hoogte van alle verhalen die deze muurschildering met zich meebrengt? (bijvoorbeeld dat Wilders kritiek had op de abstractie ervan en het wilde vervangen door herkenbare Nederlandse symbolen) Of begrijpt de impact van de lege plek die De Nachtwacht achterlaat?

Curator Guus Beumer had een bijna onmogelijke utopische droom in gedachten toen hij als curator werd aangesteld voor het Nederlands Paviljoen voor de Biënnale van Venetië. Niets minder dan een Gesamtkunstwerk, een collectief proces in de openbare ruimte, een statement dat alleen op deze bijzondere plek mogelijk zou zijn. Kunstenaars die elkaars gebied betreden, en werken die ruimte in het denken laten. Zijn concept is kwetsbaar, breekbaar, vol risico. Een Gesamtkunstwerk is een werk waarbij alle onderdelen gezamenlijk leiden tot een meeslepende totaalervaring.

Overzicht

Meeslepend is het paviljoen niet, daar is het iets te cerebraal voor maar tegelijkertijd is het van immense belang dat Beumer de kans kreeg om een experiment aan te gaan op zo’n belangrijke plek waar de hele wereld je op de vingers kijkt en een oordeel snel is geveld. De bezoeker moet moeite doen, en krijgt daar wel alle instrumenten voor in handen, maar het kost tijd om al die lagen te ontdekken en tijd heeft de meeste Biënnale ganger niet die 89 paviljoens moet bezoeken en de werken van 83 kunstenaars kan zien. Maar wat een lef om dit experiment aan te gaan en te komen met zo’n hecht en complex geheel. En voor wie deze intellectuele puzzel niet helemaal ontrafelt is er toch genoeg te ervaren, het paviljoen zelf met zijn verwarrende elementen, de betoverende krantachtige publicatie High Value van Johannes Schwartz over de geschenken die Nederland ooit heeft gekregen (een bonte stoet van vazen, een Afrikaans stel in kraaltjes uitgevoerd, een ruiter te paard, een aap of een Indiase godin). En dan buiten weer die prachtige planten. High Value gaat in op hoe het begrip identiteit functioneert: namelijk hoe het onmogelijk is om dit begrip te versimpelen. Klompen?

High Value

| | | tag - Joke Robaard, Barbara Visser, Ernst van der Hoeven, Guus Beumer, Johannes Schwartz, Biënnale van Venetië | laat een reactie achter