Gwangju Folk Museum

Het is zondag in Gwangju, Zuid Korea. De over het algemeen Christelijke Koreanen gebruiken de zonnige rustdag om in het park met het gezin te wandelen en met de kinderen te vliegeren of (voor ons) ouderwets te hoepelen (met een stok achter een hoepel aan rennen). Tussen de bomen die gekleurd zijn door de herfst zijn hier en daar nog de witte betonnen reuzenflats waar Gwangju mee vol staat te herkennen, maar verder is het rustig en de sfeer gemoedelijk.
In dit park tussen de Gwangju Biennale Hall en het moderne kunstmuseum van de stad ligt ook het volksmuseum. Binnen wordt buiten gedeeltelijk gespiegeld: in het foldertje dat ik in mijn handen gedrukt krijg, lees ik dat het museum gebouwd is om het traditionele Koreaanse leven niet verloren te laten gaan. Een reële angst: door de enorme groei, industrialisatie en globalisering verdwijnt het traditionele boerenleven van Korea in rap tempo. Azië mag dan wel het nieuwe zwaartepunt en machtscentrum van de wereld worden/zijn, maar daar zit een prijskaartje aan vast.

Het gewone boerenleven staat dus centraal in het museum. De entree van de tentoonstelling is een nagemaakt entree van een Koreaans dorp, hierna volgen vitrines met levensgrote poppen in huiselijke settings. Er zijn vitrines over voedselbereiding en het weven van riet. Steeds als ik in de buurt van een vitrine kom, gaat er automatisch een geluid aan: het zuchten van een boer achter zijn ploeg op het akker, het gezang van de vrouw achter het weefgetouw. Er is wellicht geprobeerd de poppen op deze manier tot leven te brengen, maar bij mij roept het vooral associaties met commerciële attractieparken op en werkt het lichtelijk op de lachspieren. Toch geniet ik erg van het museum: van de dingen waardoor ik meer te weten kom over de Koreaanse cultuur en de gebruiksvoorwerpen waarvan ik niet weet waartoe ze dienen en ik ze uitsluitend om hun uiterlijke schoonheid kan bewonderen.
Aan het einde van de vaste presentatie is nog een kleine fototentoonstelling die de groei van Gwangju laat zien. Het is bijna angstaanjagend te zien hoe snel deze stad gegroeid is: in 1920 was het niet veel meer dan een aantal met riet bekleedde huisjes. Nu telt de stad zo’n 1,4 miljoen inwoners en lijkt iedere hoek van de straat op een Aziatische Times Square. En de groei zet door.
Buiten in het park word ik nog getrakteerd op een Koreaanse dans met waaiers. De stenen tribune zit tot de nok vol en de dansers krijgen een dusdanig luid applaus dat je bij een Nederlandse klompendans niet kunt verwachten. Volkskunst leeft in Korea, maar voor hoe lang nog?

























