God kan je leven veranderen, Diane Arbus ook

God kan je leven veranderen, geen drugs meer en liefde alom, tenminste dat is wat de Evangelische omroep ons regelmatig voorhoudt. Ook kunst heeft soms van die grote pretenties zoals nieuwe inzichten, nieuwe visies. Welk schilderij of kunstwerk had mijn leven veranderd? Welke ingreep van een kunstenaar heeft me ooit onomkeerbaar onderuitgehaald? Zo ver ging het nooit. Ik hield veel van kunst maar bleef lang op dezelfde schoenen rondlopen zonder te struikelen. Maar ik had iets in mijn eigen geschiedenis niet opgemerkt: de foto’s van Diane Arbus waren een keerpunt in mijn leven, een les over leven en krampachtige schoonheid.
Het is 1986, lang geleden en een ander tijdperk. Ik wist niets van moderne kunst. Elke donderdagavond ging ik naar fotoles. Ik leerde foto’s maken en vervolgens afdrukken in de donkere kamer, het negatief belichten en dan in het eerste bakje langzaam het beeld zien opkomen. Soms hield de docent een praatje over het werk van bekende fotografen. Vol ongeduld wachtte ik dan tot hij klaar was en ik naar de bakjes kon rennen om mijn eigen beelden te zien.
Tot die ene avond, foto na foto als projectie op de wand vulde mij met verbazing en boosheid. Zwart-wit foto’s met een naakte dwerg op de rand van een bed, een travestiet, een vrouw met een hoofddoek, een tweeling, een mongool, een reus van een man die zijn hoofd een beetje moet buigen om het plafond niet te raken, staat naast zijn vader en moeder. Wat een vreemde verzameling mensen en wat wreed om ze op de foto te zetten. Waarom dit rariteitenkabinet van mensen? Boos was ik, erg boos. Ik dook opnieuw snel de doka in en koesterde mijn foto’s van kind en hond.
Een paar maandenlater zie ik een boek van Diane Arbus liggen in de boekwinkel en ik bekijk het vol aandacht. De foto van het jongetje met een speelgoedgranaat in zijn handen vind ik ‘anders’ wreed. Zijn verbeten uitdrukking vertelt over de haat waarmee een oorlog gepaard gaat. Waar zou zijn haat vandaan komen? Het is een wrede foto maar het beeld snijdt het vlees van de ribbetjes van onze maatschappij. Zo begint het, daar zit het kwaad! Ik kijk naar het kwaad , niet als abstract begrip maar als uitdrukking op het gezicht van een kind. En dan de foto van een pro-war demonstrant, ja het staat echt zo op de button, pro-war, voor de oorlog. (een foto uit de tijd dat Amerika vocht in Vietnam) Als er oorlog wordt gevoerd dan zijn er mensen voor de oorlog, dat kan niet anders. En deze jongen kijkt trots de lens in.
Ik vergeet het verder, tot ik een catalogus met haar werk in een tweedehands boekwinkel tegen kom en koop. De inleiding geeft uitspraken van Diane Arbus over haar werk. Een citaat: What I am trying to describe is that it’s impossible to get out of your skin into somebody else’s. And that is what all this is a little bit about That somebody’s else’s tragedy is not the same as your own. Another thing is a photograph has to be specific. The more specific you are, the more general it will be.’

Deze zinnen spoken door mijn hoofd. Mijn mededogen is gebaseerd op identificatie: hoe zou het zijn als jij in de positie van de ander was (en dan is er stiekem de opluchting ‘gelukkig ik niet’). En hier dan het besef dat de tragedie van de ander – travestiet, reus of dwerg – nooit mijn tragedie is. En dat ik dus altijd buitenstaander ben ten opzichte van de ellende van de ander. In groot leed en ook in klein leed, want daarin is het moeilijk onderscheid te maken. De ander is een alien. En vreemde voor je, altijd een ander wezen. Zijn situatie is niet de mijne, zijn liefdesverdriet is niet het mijne. Juist dat besef maakt me wakker. De keer daarop dat een vriendin haar hart uitstort luister ik beter en scherper. Dit is nieuw verdriet en daarom moet ik heel goed luisteren.
Waarom maakten de foto’s van Diane Arbus mij boos? De foto’s brengen iets in beeld waar ik nooit naar durfde te kijken, dat was de voornaamste reden om ze wreed te vinden. Op haar foto’s passeert een lange optocht van mensen die ik nooit ontmoet. En als dat gebeurt vraag ik me af wat ik moet doen. Moet ik door mijn knieën zakken of voorover buigen om iemand in een rolstoel of met dwerggroei een hand te geven? Hoe gedraag ik me normaal? O ja, niet staren, andere kant uitkijken. Gewoon doen. En kijk eens hoe vreemd en buitenissig ik me gedraag. Deze foto’s confronteren me daarmee.
Diane Arbus kijkt met haar camera. Ze laat mensen zien zoals je ze ontmoet en met ze praat. Deze mensen in beeld brengen, zichtbaar maken is een daad van mededogen want de manier waarop ze dat doet is als in een echte ontmoeting. De mensen kijken recht de camera in. Niets gebeurt stiekem, geen schaamte, geen gesjoemel. Juist haar foto’s van de ‘gewone’ wereld zijn wreed. Want dan betrapt Arbus mensen in een situatie die de beschermlaag van de gewone wereld eraf trekt. Zij toont wat verborgen is: weggestopte mensen en weggestopte gevoelens.

Haar foto’s leerden me over kunst en schoonheid, schoonheid is niet het licht dat zo mooi over de huizen glijdt, de reflectie in het water, de harmonie. Deze foto’s zijn bloedstollend mooi, keihard en zacht tegelijk. Hun schoonheid is de angstige duik in de wereld van de ander, zonder zwemdiploma in het diepe. Arbus maakte foto’s van een ongekende prikkeldraad schoonheid.

















