De Biënnale van Lyon
'Imagination is the primary medium of knowledge. We share each of Oscar Wilde’s famous epigrams: “The function of the artist is to invent, not to chronicle”; “The supreme pleasure in literature is to realise the non-existent”, and “what I am pleading for is Lying in art.”. This is to say, art requires a distance from the real in order to exist as such – as artificial construction – in order to address eloquently the complexity of the real.'
Sinds ik deze woorden van curator Victoria Noorthoorn las op het internet vormden ze een mantra in mijn hoofd. Het was alsof ik op de kermis stond en de grijpvingers van de cadeaukast eindelijk iets te pakken hebben gekregen, ze sleepten een mooi cadeau naar de kant, ik mag het meenemen: de belofte dat in de kunst de verbeelding weer ruim baan gaat krijgen. Natuurlijk moest ik naar de Biënnale van Lyon om te kijken of curator Victoria Noorthoorn haar belofte kon waarmaken met een expositie waar de verbeelding haar leidende rol weer terugeist. Waar onderzoek, filosofie en literatuur van belang zijn, om die artificiële constructie te voeden, als muze of sirenen, als hulpmiddel voor de kunstenaar om zijn visie op de werkelijkheid al tekenend en schilderend om te zetten in een voorstelling.
De Biënnale van Lyon stelt mijn grote verwachtingen niet teleur, het is een van de meest inspirerende exposities die ik in tijden bezocht. Misschien wat ouderwets als je schilderijen, tekeningen en sculpturen ouderwets wilt noemen. Ik vind het uiterst actueel. Iedere kunstenaar krijgt ruim baan, het zijn kleine solo’s, soms verspreid over verschillende gebouwen zodat je niet van werk naar werk hopt maar echt de ruimte krijgt om je te laven aan het universum van deze ene kunstenaar. Zoals de portretten van Hannah van Bart, de tekeningen van Elly Strik en Marlène Dumas. Noorthoorn gunt zichzelf bij het inrichten van de zalen alle vrijheid, grijze muren, witte muren, opgeruimde leegte of de vloeren bedekt met een rommelige kluwen zwarte draden zodat ik struikelend de zaal doorkruis om de tekeningen van Christian Lhopital van dichtbij te bekijken. De opeenvolging is doordacht en effectief. Films worden getoond in kleine zaaltjes met comfortabele witte fauteuils of bioscoopstoelen.
Haar helden uit het verleden zijn Samuel Beckett, John Cage, Alberto Giacometti en Richard Buckminster Fuller. Hun gedachtegoed zweeft door alle zalen. Wie is de mens, wat is zijn ziel? Verder zijn er weinig grote, al te bekende wereldnamen, ze is niet bang om haar eigen voorkeuren te volgen. Er is weinig spektakel, en een klein maar overrompelend gebaar heeft haar voorkeur.
De titel van de Biënnale: A terrible beauty is born is afkomstig uit een gedicht van W.B.Yeats naar aanleiding van rellen in Ierland in 1916. Het zou te lezen zijn als een hommage aan de martelaren die hun leven gaven, legt Noorthoorn uit, maar bij nadere lezing is de spreker in het gedicht perplex en vol twijfel. Het verschuift van bevraging naar ontkenning en twijfel over… naar de motieven, gevaren, schoonheid…?? De titel is meer een methodologisch tool (beetje cryptisch)dan een thema op zich.
In haar film The Apple rijdt Tracey Rose op een ezel met een roze geschilderd lijf en een rode onderbroek aan, een schietschijf en een staartje net boven haar achterste. Ze loopt met versnelde pas tussen bomen en struiken door. Met een hoed in de vorm van een penis spreekt ze god aan: “You pushed me away!” en dan tot het publiek "How can he make me to something I allready was? he is quite a storyteller.” Absurditeit en lef voeren de boventoon.
De tentoonstelling is warm, vriendelijk, er is geen plaats voor cynisme, wel voor relativering en soms humor. De werken zijn zonder bagage van de geschiedenis goed te begrijpen, de kunst is gerelateerd aan het leven, menselijke zaken, handreikingen. Het grote kwaad hangt niet boven ons hoofd als we hier rondlopen, de oorlog is afwezig. De vraag is eerder een wandeling naar het binnenste van de aarde, wat is het bestaan, wie zijn we. Op de begane grond in de Sucrière sta ik tegenover een naakte man die ritmisch met zwarte elastieken aan het gebouw trekt, gelijk Sisiphus. Rechts hoor ik de tekst van een film die steeds opnieuw begint met de zin ‘a model of the universe’, steeds deze zin gevolgd door een andere invulling van wat het universum zou kunnen zijn. Links van me klotst het water, het zompende geluid van voeten die zich lostrekken uit de modder. Het trekken aan de elastieken, het zuigende water en de terugkerende vraag naar het universum: het ervaren van het ritme van de kosmos, het ritme van een menselijk hart.










